Geschreven door:Liz

Datum : 25 februari 2019 Categorie : Blog

Spaanse tijden: de 3 verleden tijden in het Spaans

Ben jij Spaans aan het leren? Dan weet je maar al te goed dat de verleden tijden in het Spaans best pittig zijn. Het Spaans kent namelijk meer verledentijdsvormen dan het Nederlands en ze zijn niet allemaal even makkelijk te onderscheiden. Dit artikel neemt je mee in de Spaanse verleden tijd!

Spaanse verledentijdsvormen

Het kiezen van de juiste tijd heeft te maken met het moment waarop een beschreven actie of gebeurtenis is begonnen, wanneer de actie of gebeurtenis is geëindigd en welke invloed het heeft op het ‘nu’. In dit artikel behandelen we drie werkwoordstijden in de verleden tijd: pretérito perfecto, pretérito indefinido en pretérito imperfecto.

Pretérito perfecto

Wanneer gebruik je de perfecto?

De pretérito perfecto in het Spaans is te vergelijken met de voltooid tegenwoordige tijd in het Nederlands. In het Nederlands maken we deze vorm met ‘hebben’ en in sommige gevallen ‘zijn’. ‘Ik heb geschaatst’ of ‘ik ben naar de verjaardag gegaan’. Ook in het Spaans voegen we het werkwoord ‘haber’ (hebben) toe.

Je gebruikt de perfecto:

  • Als een gebeurtenis vandaag is gebeurd.
  • Als een gebeurtenis geen concrete tijdsaanduiding heeft (nooit, vaak).
  • Als de gebeurtenis een direct verband heeft met het heden (bijvoorbeeld: deze week of deze maand).

Hoe maak je de perfecto?

De perfecto maak je met behulp van het werkwoord ‘haber’ (hebben). Deze wordt vervoegd in de presente: he, has, ha, hemos, habéis, han, en komt voor het voltooid deelwoord van het werkwoord te staan. Hoe het voltooid deelwoord wordt gevormd, is afhankelijk van het uiteinde van het werkwoord. Werkwoorden op -AR wordt stam +ADO en werkwoorden op -ER en -IR wordt stam + IDO.

Pretérito perfecto hablar  comer vivir
yo he hablado he comido he vivido
has hablado has comido has vivido
él / ella / usted ha hablado ha comido ha vivido
nosotros / nosotras hemos hablado hemos comido hemos vivido
vosotros / vosotras habéis hablado habéis comido habéis vivido
ellos/ellas/ustedes han hablado han comido han vivido

Voorbeelden pretérito perfecte:

  • Este verano ha llovido mucho. = Deze zomer heeft het veel geregend.
  • No he comido todavía. = Ik heb nog niet gegeten.
  • Hemos estado en el cine. = We zijn naar de bioscoop geweest.

Pretérito indefinido

Wanneer gebruik je de indefinido?

De indefinido gebruik je om te verwijzen naar handelingen in het verleden die volledig zijn afgerond. Dit wordt in het Nederlands ook wel de onvoltooid verleden tijd genoemd. Je gebruikt deze verledentijdsvorm voornamelijk om situaties en acties in het verleden aan te duiden die op een specifiek moment of bepaald tijdstip hebben plaatsgevonden. Bijvoorbeeld: Ayer comí un naranja = Gister at ik een sinaasappel.

Je kunt deze tijdsvorm daarom ontdekken aan tijdsaanduidingen als ‘ayer’ (gisteren), ‘en 2006’ (in 2006), ‘el verano pasado’ (vorige zomer) en ‘la semana pasada’ (vorige week).

Hoe maak je de indefinido?

De indefinido vorm je door de werkwoorden te vervoegen. De vervoegingen van werkwoorden die eindigen op -er en -ir zijn hetzelfde.

Pretérito indefinido hablar  comer  vivir 
yo hablé comí viví
hablaste comiste viviste
él / ella / usted habló comió vivió
nosotros / nosotras hablamos comimos vivimos
vosotros / vosotras hablasteis comisteis vivisteis
ellos/ellas/ustedes hablaron comieron vivieron

Voorbeelden pretérito indefinido:

  • Mi hermana llegó ayer. = Mijn zus is gister aangekomen.
  • Ayer hablé con Pedro. = Gisteren sprak ik met Pedro.
  • Las vacaciones pasadas comieron pizza. = De vorige vakantie aten zij pizza.

Pretérito imperfecto

Wanneer gebruik je de imperfecto?

Het grootste verschil tussen de indefinido en de imperfecto is dat de indefinido op 1 specifiek moment in het verleden plaatsvond, terwijl de imperfecto gedurende een langere tijd heeft plaatsgevonden. De pretérito imperfecto gebruik je:

  • Als je situaties in het verleden omschrijft waarvan niet duidelijk of niet belangrijk is wanneer deze plaatsvonden.
  • Om gewoontes in het verleden mee aan te geven, dus gebeurtenissen met een herhalend karakter.
  • Om handelingen in het verleden aan te duiden die niet op zichzelf staan, maar op de achtergrond aanwezig zijn.

Hoe maak je de imperfecto?

De indefinido vorm je door de werkwoorden te vervoegen. De vervoegingen van werkwoorden die eindigen op -er en -ir zijn hetzelfde.

Pretérito imperfecto hablar  comer  vivir 
yo hablaba comía vivía
hablabas comías vivías
él / ella / usted hablaba comía vivía
nosotros / nosotras hablábamos comíamos vivíamos
vosotros / vosotras hablabais comíais vivíais
ellos/ellas/ustedes hablaban comían vivían

Voorbeelden pretérito imperfecto:

  • Siempre lavaba el coche a las 6 de la mañana = Hij waste de auto altijd om 6 uur ’s ochtends.
  • Era una chica guapa = Het was een mooi meisje
  • El otro día estaba en casa y me llamó Irene. = Onlangs was ik thuis en Irene belde me.

Wil jij Spaans (nóg beter) leren? Wij bieden verschillende cursussen Spaans aan. In april beginnen de cursussen Spaans niveau 2, Spaans niveau 3 én Spaans op vakantie weer. Schrijf je snel in! 

Verschil indefinido en imperfecto

Vooral de indefinido en imperfecto zijn lastig uit elkaar te halen. Heb jij je Spaans al redelijk onder controle, maar vind je het verschil tussen deze tijden nog steeds lastig? Bekijk dan dit handige filmpje!

Lees ook: